Oude kut vingeren grote schaamlippen neuken

oude kut vingeren grote schaamlippen neuken

Helemaal zeker ben ik daar niet van. Die zit er vaak niet in maar voor. Op de stoep, op een schommelstoel, of hij hangt tegen de muur. Hoe dan ook, hij is in gesprek. Midden op werkdagen hangen mannen werkeloos rond op straat. Maar gelachen wordt er ook veel.

Midden op de middag is er rum, soms een sigaar, altijd muziek. Hij waarschuwt niet, de taxichauffeur. Zegt niet dat ik het stadsdeel Marianao op eigen risico ga betreden, zoals me dat gebeurde aan de rand van de Bronx. Je moet toch ergens ooit één keer heldhaftig zijn. Hopen vuil op de hoeken van de straten zie ik niet. Dan is een uurtje struinen door de voorsteden, zeg maar voorsloppen, van Calcutta andere koek.

Wat je hebt, houd je schoon. Geen flats, geen blokkendozen die als in de Bronx door projectontwikkelaars eigenhandig in de hens zijn gestoken, omdat dit recht geeft op lucratieve nieuwbouw. Daar kun je deze zwarten niet van beschuldigen.

Die willen wel de brand steken in het systeem maar niet in hun onderkomen, hoe schamel ook. De lach van de kinderen in het speeltuintje, bestaand uit één glijbaan en één schommel, is even onbezorgd als overal. Wist je maar nooit wat er nog kwam. Voor de foto vragen de kids geen geld, wat ook de vrouw op de hoek niet doet die vindt dat ik haar man moet vastleggen, zijnde ziek en veel te groot voor zijn kleine bed.

De armoede valt me eigenlijk een beetje tegen, ik had er meer van verwacht. Maar in één ding word ik niet teleurgesteld, ook hier hangen weer teveel mannen in de kracht van hun leven uitzichtloos rond. De jongste zie je nog met een stuk stok en een nepbal in de weer om ooit te kunnen ontsnappen via de nationale sport, honkbal.

De negers van middelbare leeftijd en ouder ondergaan de dag gelaten. Ook in het cafetaria zijn de negerinnen dik. Geen enkele moeke of dochter maakt aanstalten mij het hof te maken in ruil voor een onderbroek, zoals ergens beschreven. Ik geef ze gelijk en zou ook niet zonder verder willen.

Aan het tafeltje knuffelt een man zijn zoon. Hoe zal hij hem voorbereiden op zijn toekomst? Hoe hem uitleggen dat hij eerst lang bij vader en moeder zal moeten blijven wonen, dat een goed betaalde baan er niet in zit en dat hij met enige pech zijn eigen stulpje nooit zal betrekken.

Huist er wanhoop in deze zwarte man naast mij? Wil hij nog wat van het leven? Heeft hij dat ooit gewild? Waar heeft hij de moed verloren?

Waar is het uitzitten van de tijd begonnen? Is zijn woede groot? Hoe ventileert hij die? De boel moet ontleed. Dat zint mij niet natuurlijk. Heb je geen doel, wil je dan niks van het leven? Je kunt toch niet zomaar de dagen laten passeren.

Is dat mijn ziekte en de uwe? Kan zijn, maar dan omarm ik mijn ziektebeeld. Al is het maar om de gekte die zich na luttele dagen ledigheid al aandient te verjagen, te bezweren. Ik vraag het hem op de man af: Dat ik in jouw plaats geboren was. Mijn zoon bieden wat jij jouw zoon biedt. Een moeder heeft schik met haar kroost. Zij geurt goed, haar huid glanst en haar kleren mogen niet des couturiers zijn, haar schoonheid komt er niet minder door uit.

Nu lacht ze mij toe en ik roep vanuit mijn versomberde ziel iets op dat op een glimlach moet lijken.

Wat kan mij de kleur schelen. Op zijn minst heeft iedereen recht op evenveel kansen om te verprutsen. Zal soms zo zijn, maar ik herinner me Bruce, die mij in de Bronx op straat aansprak. Hij zag mijn argwaan, mijn voorzichtigheid en zei: Ik wil u helpen. Ik ben blij dat ik u mijn buurt kan laten zien. Legde uit hoe zeer het deed om zijn vader spuitend en slikkend weg te zien teren en studeerde af. Vond een baan, werkte hard, spaarde, wilde een huis buiten de Bronx?

Blanken kregen voorrang, zelfs bij een lager bod. Maar hier in Cuba is iedereen elkanders broeder, ja toch? Deze vrouw is toch gelijk aan één van de vrouwen bij wie Castro jong kreeg?

Ik kijk om me heen en voel mij, niet voor het laatst, moe en tobberig. Met al dat ik heb en wil, bots ik met de levenslust die ondanks alles in deze ruimte hangt. De chauffeur van de taxi die mij van Marianao naar het kerkhof, Necrópolis Colón, voert, beschrijf ik niet. De geheime dienst van Cuba is groot en machtig, een van de best georganiseerde ter wereld. Hij is afgestudeerd, maar een baan in zijn vak zat er niet in. Nu bestuurt hij zes, soms zeven dagen per week zeventien uur per dag zijn kleine brik.

Dat is er eentje van de staat, aan wie hij dan ook het bijeen gereden geld moet afstaan. Zelf krijgt hij omgerekend ongeveer tien euro per maand. Jij bent mijn vriend, toch? Je weet nooit tegen wie je hier kunt praten. Op elke twintig volwassenen is er één geheimagent. Jullie zien vriendelijke, lachende Cubanen, jullie ontbreekt het aan niets. Maar voor ons is het leven hard. Geen geld, geen vrijheid, geen enkele manier is er om iets van mijn leven te maken.

Je mag het land niet uit. Vraag je permissie, dan wordt alles gecheckt. Of je een goed partijlid bent en nooit weet je wie jou waarin verlinkt heeft om er zelf beter van te worden. De controle is volkomen. Wij moeten van dit systeem af. Wat zegt dat over jullie? Alleen dat dit mijn twaalfde werkdag op rij is. En zal er hier plaats zijn op dit monumentale kerkhof, Necrópolis Colón, waar ik inmiddels slenter? Zeker niet aan de hoofdweg, de graven ten weerszijden ervan zijn gereserveerd voor de grote meneren.

Mannen met poen, anders lig je hier niet. Er is wel een plek ingeruimd voor enkele helden van de revolutie, maar het zijn toch vooral presidenten, suikerbaronnen en vechtersbazen die soms met complete huizen, met halve tempels aan de Ave. Cristobal Colón te kijk liggen. Waren dat betere mensen? Het zijn de praatjesmakers, de mannen van het woord, van het bedotten, die boven komen drijven.

Dat zal dus wel niet. Ach, draait de boel niet altijd even beroerd verder. Hoezo niet, zij van tweehoog, die haar kinderen goed in het leven zette en daarna haar eega tot in zijn seniele dood verzorgde, ligt hier niet. Zelfs tot na de laatste ronde blijft dat mesjoche verschil in stand.

Nou ja, één troost: Toeristen toeren per aircobus over de 55 hectare grote dodenakker. Weg rust, weg doodse stilte. Want stil is het hier, op deze indrukwekkende begraafplaats. Meeluisteren met de Engelstalige gids? Dan er liever zelf een ingehuurd. Maar die is er niet, alleen een dame die genoeg zegt, nuttig, maar die het toch weer niet kan laten zich voor mijn geld aan haar tafel te noden. Er blijken nog 21 andere kerkhoven te zijn in Havana. Die moet je kopen, dat is te kapitalistisch, hij zal wel publiekelijk komen te liggen, op het Plein van de Revolutie.

Als je taxichauffeur bent en nooit een knoop bijeen krijgt, wat dan? Of als je zwart bent en je tijd zit erop in Marianao? Ik slof erheen, op een begraafplaats minder je automatisch vaart. De vogeltjes kwinkeleren vrolijk, de dodenmars is niet door hen gecomponeerd. Ik begin, als altijd op een kerkhof, in de greep van het eindige te komen. Ruim twee miljoen doden liggen hier. Voorbij is hun geploeter.

Ze waren er en niet op eigen verzoek. Op de eeuwigheid gemeten is ieders bestaan onmeetbaar klein. Ook dit hele kerkhof is er maar even, heel eventjes. Al die graven, die stenen, dat bewaren, uitstel is het van de definitieve teloorgang. Wat haalt het allemaal uit? Wat betekent dat hele mensdom afgezet tegen die oneindige tijd? Er was ooit een verschijnsel dat mens heette, dat achtte zich uniek, maar alle sporen zijn uitgewist.

Rond enkele graven liggen nog kransen. Ik loop kalm doch beslist verder. Chef en broer Raúl mogen dan met hun arbeidersparadijs willen zorgen voor de hemel op de aarde, de meeste Cubanen blijven voor de zekerheid toch maar geloven in een hiernamaals. Eentje waar al die lui die hier vooraan liggen achter in de rij aan moeten sluiten, het verst weg van de enige echte chef. Sommige graven zijn op hun beurt ook weer aangevreten door de tijd.

Deuren van grafhuisjes die kapot zijn. Ik ga er eentje binnen. Het stinkt er naar pis. Vreemde plek voor wildplassen. Aan menig graf valt weinig meer te schennen.

Hoeveel dromen hebben ze meegenomen? Hoe luidde hun eindoordeel? Spraken ze laatste fameuze woorden? Nooit overtreffen zij daarin natuurlijk pater Blub, die een leven vol overgave aan de Heer met fraaie twijfel rechtvaardigde: Tegen liefde bestaat geen verweer.

Veel stenen zijn naamloos, het mocht blijkbaar geen naam hebben. Of dragen een nummer. Neergelegd door de dochter die mij zo-even met rode ogen passeerde? Het mooiste kruis is het zelfgemaakte, ijzeren staketsel. Geen geld, huisvlijt, gesmeed met tranen. De bewaker die al fietsend zijn entreegeld kwam ophalen zei: Ik sta voor twee, soms drie verdiepingen hoge, slordig neergekwakte, sobere bouwsels met holle gaten.

Met een lichte huivering loop ik dichterbij. Van beneden tot boven zijn de spelonken gevuld met duizenden, misschien wel tienduizenden kleine betonnen dozen. Namen met de kwast er slordig opgekalkt.

Opgeruimd, weggestopt, weg ermee, rol uitgespeeld. Die rol van de minste onder de minsten. Die kistjes doen zeer, zij zeggen hoe we het doen. De een vereren we, van de ander zouden we liefst elk spoor wissen.

Mij boeit de naamloze. Neem Che Guevara, wiens konterfeitsel als een billboard Cuba siert. Het graf van deze cultrevolutionair in Santa Clara is nu een bedevaartsoord. Maar waar zijn de resten van de jongen die hij meenam in zijn heldendood? Voer voor de gieren was die. Je ziet een naam op een steen, je kent wat feiten. Maar de vuile was die binnen bleef, kennen we die? Was er één moment dat Che wist dat hij held ging worden en dat hij andere mannen mee sleurde in zijn graf?

Had hij nog ergens het vliegwiel der gebeurtenissen kunnen stoppen? Had hij dat moeten doen vanuit de latente homoseksuele liefde die hij voelde voor dat joch dat met hem vocht? Ik bedoel, wat weten we? Hebben we zicht op de gedachte achter de gedachte, de bedoeling achter de bedoeling? Er deugt zo weinig. Dank aan de Tijd, die grote rechtsrijker van wat op aarde zo stinkend krom is. Onopgemerkt heeft hij me van achteren benaderd. Terwijl ik in gedachten verzonken de betonnen grafbelt verwerk, tikt hij me zachtjes op de schouder.

Als ik me omdraai zie ik hem nog net met zekere tred Calle B inslaan. Verdriet, want waar de dood de liefde raakt, schrijnt het. Het versterven van iemand meemaken is geen vreugde. Het leven onteert zichzelf op de valreep definitief.

Is de stervende oud en der dagen zat dan kan de laatste ademtocht een zucht van verlichting zijn. Maar wat als het die moeder van achtendertig betreft, met haar man en kinderen verteerd van verdriet aan haar bed? Nou ja, dat zal dan wel onderdeel van het goddelijke meesterplan zijn. Maar jouw dood, jongen, die stond niet in onze plannen.

Waarom kan ik dertig jaar later deze zinnen nog nauwelijks op papier krijgen? Het doet nog zo zeer. De wond is vers. Waarom lette ik niet beter op. Waarom had ik, godbetere, geen antenne toen je gekscherend zei dat je met dat wasdraad dat al op je kamer lag ook andere dingen kon doen. Die eenzaamheid, die laatste handelingen. Als er toch een hemel is, omarm dan je moeder, geef haar een knuffel, heel haar hart. Doorleven als je de donkere poort door bent? Als dat de tol is die ik moet betalen om vader, moeder, Bert en Koossie Poes terug te zien, dan moet dat maar.

Ik heb het niet op de eeuwigheid. De gedachte dat het nooit ophoudt is onverdraaglijk. Misschien is er wel alleen een hiernamaals voor wie dat tijdens het leven aanneemt. Interessante gedachte, vond ik terug in een puberopstel. Toen beschreef ik lyrisch mijn vreugde over de mogelijkheid om alles eindig te denken.

Intussen ben ik daarrvan overtuigd. Lichaam en geest zijn één, lichaam weg, geest weg, daar houd ik het op. Ik ben de uitgang van Necrópolis Colón genaderd. Daar ligt een graf open. Gapend diep, een soort uitnodigend. Zie ik mezelf hier liggen, ergens liggen? Aan de dood denken doen we niet graag. Misschien hopen we dat van afstel uitstel komt. De gedachte er niet meer te zijn boezemde lang angst in. Ik zal niet zeggen er nu naar uit te zien, maar angst voor de laatste hobbel heb ik niet meer.

Soms is er zelfs verlangen. Nee, eerder is het nu een geruststellende gedachte dat op enig moment de bevrijding wacht. Maar nog even niet. Niet zolang er mensen zijn bij wie ik graag in de buurt blijf, van wie ik houd. Tegen de liefde bestaat geen verweer. Er lopen bij mij in de wijk andere types.

Dikker, bozer, kanslozer, deemoediger gekleed. Mijn chauffeuse, ik noem haar Petra, analoog aan de zwoele dame die mij thuis in de auto de weg wijst, gaat met mij Hemingway doen, eerst Cojímar, daarna Finca Vigía. Haar rokje is korter dan kort en het moet gezegd, Petra heeft heerlijke benen. De witte hakschoentjes verhinderen haar niet de pedalen van de Golf soepel te bedienen.

De handen aan het stuur laten lange, gemanicuurde nagels zien en aan de ene pols rinkelt een bos zilveren armbanden, terwijl de andere plaats biedt aan een groot, modern wit horloge.

Hoe kom je daaraan in Havana? Het rokje heb ik in Italië gekocht, het topje op Jamaica. Petra was er namelijk als de kippen bij geweest om een vraagteken te plaatsen achter mijn ontmoeting daags tevoren met een Cubaanse schilder. Ik ben een week op Cuba en ik geloof van deze jonge vrouw die schouder aan schouder naast me zit niets meer zonder voorbehoud. Ze lijkt me niet het type van de alcoholverbranding.

Kent haar kracht, speelt het spel sterk. Zij zal niet zó in de nesten komen, zeker niet zo lang de glans der jonge jaren haar aankleeft, dat zij besluit in wanhoop zichzelf te verbranden. Alcohol over je gieten en dan de fik erin. Een pijnlijker dood bestaat niet en volgens mijn gesprekspartner de schilder, hem noem ik Jean, komt het steeds vaker voor, maar zwijgen de mooi-weer-media ook dit dood.

Redelijk begaanbare wegen buiten Havana. Zou je alle kuilen en gaten willen vermijden dan leg je acht keer de afstand af, maar het rijdt, geen files en dat is ook wat waard. Aan mijn oog trekt tropisch groen voorbij, gelardeerd met redelijk ogende huizen en bewoners. Palmen, grassen, soms stukjes bewerkte akker. In de stilte die is ingetreden na mijn wedervraag dommel ik half weg en dringt de ontmoeting met de Cubaanse schilder zich weer op.

Door de regen waren we met de tafeltjes naar elkaar toe gedreven. Tijdens de Revolutie gevlucht en terecht gekomen in Parijs. Heeft daar nog een appartement, is geslaagd als schilder lang grijs haar, oorbellen in bejaarde oren , maar heeft het op een akkoordje kunnen gooien met de Partij en kon terugkeren.

Ik kom van hier, leef lang genoeg, maar begrijp de mentaliteit van de mensen steeds minder. Warme mensen gevangen in een koud systeem, schizofreen. Mensen die zich superieur voelen en ook zo handelen tegenover een veelvoud aan lui die naar eigen idee van een inferieure soort zijn. Het klassenonderscheid dat de Spanjaarden er nog in geramd hebben.

Maar dan ga ik al verklaren. Ik heb het verklaren opgegeven. Geen tijd meer, want ik heb er al een dagtaak aan het gif in mijn geest om te zetten in een medicijn. Petra wil jus, ik koffie. Inderdaad, een kwestie van gezond willen leven.

Ik ga ook iedere ochtend naar aerobics. Kost maar drie convertibles per maand. We zitten in La Terraza, restaurant, bar, vaste aanlegsteiger in Cojímar voor Hemingway-adepten. Ik heb Petra gezegd dat ik tijd nodig heb, dat ik het niet wil laten bij een vluchtige inspectie.

Als Hemingway sprak met de tanige mannen die de huid gelooid wisten tijdens de zonovergoten dagen en soms lange nachten op zee, dan moet er toch de aanvechting zijn geweest om de pen definitief neer te leggen?

Want hoe ver is schrijven niet van leven? Dan was deugdelijk nadenken niet zijn stijl, dan was hij achter de machine meer jager dan filosoof. Het is handig wanneer je als schrijver je eigen universum creëert. Daarin bepaal jij wat waar is en liegen de woorden niet. Je schrijft ter verstrooiing, ter troost, ook nuttig. Maar wil je haar hanteren om iets te zeggen over de werkelijkheid, zeg maar dat dagelijkse leven dat te velen te zwaar valt, dan schiet de taal schromelijk te kort.

Hoe vat je iets in woorden? Zo zijn er vragen: En het antwoord is nog nooit via denken — dat is ook gebonden aan taal — tot ons gekomen. Anderen zeggen daarom maar dat Het Antwoord ons geopenbaard is. Dat gebeurt uit wanhoop, uit angst voor de leegte, de zinloosheid, die overblijft als we toe moeten geven dat de werkelijkheid bewust beleven ons met stomheid slaat. Had ik gezegd dat dit gesneden kost ging worden, een leuk reisverslag? Ik sleur u mee naar Cuba en na een tussenstop in eigen land naar Rome en Jeruzalem en het Brabantse land.

Niet om te plezieren, maar om alle Opvattingen een nekslag toe te delen en mijn zere ziel te balsemen met mijn gelijk en misschien een vonk hoop.

Denken over de levensvragen, met antwoorden komen, filosofie. Ik woonde ooit een college filosofie bij en stelde — de irritatie over de barre verzameling woorden en aannames in een zoveelste poging toch maar weer iets te zeggen waar zwijgen past was hoog opgelopen — direct de hamvraag: De ober brengt nog een kleintje, gitzwarte, zoete koffie en Petra werpt even snel een blik naar binnen, checkt of ik er nog wel ben. Ik zit en denk, ook armoedig.

Maar op zijn minst geef ik dat toe. Terwijl om filosofen en schrijvers nog steeds een verheven aureool hangt. Al die denkers, van de klassieken tot de eigentijdse verklarende geesten, ze kunnen mooi schrijven en prima redeneren vanuit aannames, maar het blijft gerommel in de kantlijn.

Te arrogant voor woorden deze stelling? Zegt u dat wel. Maar hoeveel regels en gedachten waren al niet aan het papier toevertrouwd voordat we in de vorige eeuw tot het goed geoliede systeem van de gaskamers kwamen? Nadenken over het leven als hobby, als afwijking, doe het, maar geef de nutteloosheid toe. De een speelt met het lijf, de ander met de geest. Mijn interesse ligt in het stoppen van de stroom. Een groep Duitse toeristen betreedt La Terraza. De gids geeft uitleg bij de foto waarop Hemingway Fidel Castro de eerste prijs voor een viswedstrijd overhandigt.

De Chef heeft nog nooit een wedstrijd verloren, in ieder geval geen honkbalduel waaraan hij deelnam. Ik sprak met een studente Engels in Pyong Yang. Hoe erg kun je iemand met taal hersenspoelen?

Ze lacht en zwijgt. Als de rust hersteld is, pak ik de informatie over Hemingway erbij. Straks naar de Finca Vigía. Daar staan meer dan negenduizend boeken.

Zou hij die allemaal gelezen hebben? Daar zit bij één dag per boek dik dertig jaar lezen in. Het kan, maar achterdocht is altijd geboden.

Hoe het ook zij, het bestempelt mij tot leesbarbaar. Kun je wel merken ook, ik hoor het u denken. Het punt is dat ik niet las maar zocht naar een antwoord. Soms oversteeg de troost de teleurstelling. Maar even zo vaak legde ik een boek na luttele bladzijden terzijde. Te zeer had ik me dan gestoord aan de oppervlakkigheid van het verhaal, dan wel de kromheid der zinnen.

Wegen die ons de hemel niet doen ontdekken, kennen we al genoeg. Luide wegwerpmuziek schalt uit de auto als ik de deur open. Petra heeft een i-Pod. Onderweg naar Finca Vigía is alleen een verkeersdrempel het noteren waard. Alsof niet het hele wegdek dat is. De Vigía wordt opgeknapt, zeg maar herbouwd. Hemingway vertrok met frisse tegenzin vanuit Havana, weg van zijn favoriete bars, naar hier.

Zijn derde vrouw, Martha Gellhorn, drukte dat erdoor. Ik loop nog even de werkmannen voor de voeten, maar geef het op. Jammer, de inrichting van de finca met alle jachttrofeeën, de posters van het stierenvechten, zijn typemachine, waar hij staand op ramde, en de negenduizend boeken had ik graag gezien.

Een blik in de bijgebouwde villa kan ik nog wél werpen. Klopt niet, maar ze moet wat zeggen om aan haar tip te komen. Boksschilderij aan de muur. Weinig aan te zien. De toren biedt meer.

Geschenk van zijn vierde vrouw die er als dank van lieve Ernest niet mocht komen. Hij neukte er namelijk in het geniep. Onder vele anderen een dochtertje van zestien, het kan jonger zijn geweest, van een Italiaanse gast. Vier vrouwen, talloze vriendinnen, de man in me gromt jaloers. Dat doet de leeuwenkop onder de werktafel niet meer. Ik val op die lieve ogen, zie er wanhoop in.

Het blijkt een kunststof replica. Ook staat er een kijker die Hemingway op heldere dagen in staat stelde naar zijn geliefde zee te turen. Soms draaide hij de telescoop een kwartslag, als Ava Gardner zwom in het grote, toen al lichtblauwe zwembad.

Veel vrouwen had Hemingway, maar nog meer katten. Zoveel — rond de zestig — dat een van zijn tien bedienden zich alleen met deze minitijgers bezig hield. De honden liggen begraven tussen het zwembad en Pilar, de boot waarmee de Amerikaan de zee op ging om te vissen op marlijn en te drinken bovenal.

Bij zijn laatste gerichte schot nam hij in , een jaar nadat hij was teruggekeerd naar Amerika, zichzelf op de korrel. Op het terrasje bestel ik koffie.

Hier vuurde de Cubaanse troetel-Amerikaan een deel van zijn boeken bijeen. Schrijven, vuren, jagen, doden, niets in dit huis doet mijn affectie voor de schrijver en zijn vak toenemen.

Wat was eigenlijk zijn bijdrage aan het grote geheel, anders, meer, dan vermaak bieden? Is er dank zij Ernest één mens minder gesneuveld? In ieder geval één meer, hijzelf. Daar is de literatuur niet voor? Daar is de hele kunst bij uitstek voor! Altijd zal de greep te hoog blijken, maar kunst alleen omwille van de schoonheid heeft een oppervlakkig bestaansrecht. En dan dat pijnlijke dilemma. Wie zoekt naar antwoorden en schrijft, valt stil, wacht, doopt niet meer en ziet de inkt verdampen.

Het lichaam liegt niet, de ogen verhullen nooit, maar de mond en de pen dragen de leugen in zich. Ik kom daar later over te spreken. Het plein van de Revolutie en het Museum van de Revolutie bezoek ik nog, maar nu al staat vast dat elke ideologie leunt op misbruik van het woord, op misleiding van de volksgeest.

Het volk zal dit, zal dat en dan krijgt het zus en zo, nu of in het hiernamaals. Voor andere vormen van kunst dan schrijven geldt hetzelfde.

Hoewel je bij beeld sneller praat over streling van het oog, van het verzorgen van de open wond, bewust, onbewust. Voor een schilderij staan en de emotie vangen. Een beeld liegt niet. Ineens moet ik denken aan Dirk die als logische consequentie hiervan vrede had met een televisie zonder geluid, zonder taal.

Daar keek hij bijna twee jaar naar. Waren er ook Cubanen zijn die dat deden als Fidel Castro het scherm weer eens langdurig in beslag nam.

Geen geluid, alleen gelet op de mimiek, de oogopslag, de lijnen in zijn gezicht? Verraadde dat milde wijsheid, of vooral de wil om al sprekend zijn gelijk te halen? Natuurlijk heeft de Commandant de intellectuelen en schrijvers omarmd. Hij weet dat het woord ten leste een dodelijker wapen is dan enig geweer.

De bezoektijd loopt ten einde. De boel komt langzaam op gang in Cuba maar eindigt stipt. Als ik bij de Finca Vigía weg loop, weet ik dat ik niet terug wil keren. Terug in de auto probeer ik door de harde muziek heen toch de lijn van de dag vast te houden.

Dat wordt bemoeilijkt door het opgeschoven truitje van Petra. Verguizen heb ik genoeg gedaan. Ik houd van een mooie zin. Zeker, literatuur kan schoonheid brengen, troost. Toch is dat niet aan de orde waar het mijn omhelzen betreft. Jaren wantrouwde ik de taal als middel om iets te zeggen over wat ons omringt. Maar ik ben overstag gegaan, want ik weet niet beter. Altijd, overal wordt de taal misbruikt om te manipuleren, om het spel om de macht te spelen en te winnen.

En zwijgen, hoe verheven ook, volstaat niet als tegenzet. Toegegeven, het is behelpen om de ziekte met het eigen virus te bestrijden, maar het zij zo.

We zijn weer bij mijn Casa. Petra werpt mij nog één keer een machtig mooie glimlach toe. Ik weet niet meer helemaal zeker of ik wel bezig ben geweest de juiste zaak te omhelzen. Maar de taal is willoos en onschuldig en staat dat toe, zo is het toevallig ook nog eens keer. Even op bed liggen, uitrusten, de ademhaling controleren, loslaten, genoeg gedacht voor vandaag. De dag geeft het bijna op. Een kort slapie doen, mag wel. Maar net als ik weg dreig te dommelen dringt samenzang door tot op mijn derde verdieping.

In de straat, pal onder mijn balkon, komt het Comité voor de Verdediging van de Revolutie bijeen. Een vrouw van midden dertig, gekleed in arbeidersstijl, houdt een betoog. Haar gezicht straalt als dat van gelovigen die geen twijfel kennen.

Ze praat en praat en praat, ze praat de mensen murw. Douchen, avondkleding aanschieten, de restaurantkeuze bepalen, naar beneden gaan en nóg praat de vrouw. Het valt op dat lang niet de hele wijk is uitgelopen.

Het zijn vooral de ouderen die samen groepen. Onder hen natuurlijk ook Maria. Daags tevoren was me al opgevallen hoe angstig mijn kostbazin de man en vrouw ontving die haar boeken kwamen controleren.

Ook al moet zij maandelijks bijna alles afstaan aan de staat en zelfs betalen in de maanden dat er geen gasten zijn, zij wil haar verhuurrecht niet kwijt. Dus staat ze hier. Jongeren fietsen opvallend vaak pontificaal voorbij, het volume van het geschreeuw niet dempend. Na een monoloog van bijna een uur mogen er vragen worden gesteld.

Die nemen ieder op zich ook weer minuten in beslag. Er worden witte voetjes gehaald. Alles is nep aan deze bijeenkomst, alles taal, alles leugen, alles ritueel. Je zou de schouders ophalen als de ernst van de zaak niet zo groot was. Het toneelstuk zit erop. Ik grijns terug en begin mijn voettocht naar Nos Nardos. Het was me de dag van de taal wel, zeg. Ik taal soms naar huis. Even een paar dagen er lekker tussenuit. Maar ogen en oren open, dat wél. Niet de geest laten verweken door wuivende palmen en ander groen.

Want zie, een ballon is een ballon en dient doorgeprikt. Lekker mee laten spelen? Niks spelen, genoeg gespeeld, genoeg zon weggenomen door bossen ballonnen, genoeg narigheid eruit gedonderd.

Viñales dient onder dezelfde loep te worden gelegd als de grote stad Havana. Dat zijn de eerste notities die ik even buiten de hoofdstad maak. Ietsje heftig, dat wel.

Misschien drijft adrenaline het potlood te zeer. Jesus gebeld, mobiel overhandigd aan de machtswellusteling achter het loket. Vijf woorden wisselde de ticketman. Niet één met mij. Pas twee minuten voor vertrek gaf hij groen licht.

Het landschap betovert niet en verleidt tot bijslapen. Zij, Clara, staat er. Soms is het welkom je naam in kapitalen neergepend te zien. In Peking stond ooit niemand.

Bij het krijgen van mijn visum voor China was me gezegd per fax om een gids te vragen. Dus niet gedaan, altijd liever alleen. Daar stond ik dan op het vliegveld van de toen nog niet ontmaskerde Mao.

Hij leidde me naar het toeristenbureau. Ik vertelde dat ik een hotel zocht. De Chinese zachte, maar onverbiddelijke hand. In die dagen reisde ik nog licht. Nu moet ik een kilometer lang een koffer meezeulen. Ik voel me de beladen monnik die door de stroom wordt meegesleurd waar zijn arme confrater met alleen een stok moeiteloos naar de overkant waadt. Clara vraagt of ik moe ben. Valt mee, de geest is licht. We zijn er bijna, maar nog niet helemaal.

Toch nog twee bochten. Casa Rosa is goed. Ruim, groot bed, goede douche en rustig genoeg om te werken. Het avondeten kost 7 CUC. Mijn opmerking dat ik soms naar een restaurant wil, wuift Rosa weg met: Die kan kort zijn, want Viñales blijkt een dorp waar de grootste bezienswaardigheid de toeristen zelf zijn.

Die zijn ondergebracht in enkele hotels en maar liefst driehonderd privé-onderkomens. Door de levensader stroomt vreemd geld. Clara, zwart, groot, vriendelijk, bevertanden, regelt een gids. Ik tel mijn verlies al. De rit die we daags erna maken naar de tabaksplantage van Roibana vraagt dik een uur.

Overal leuzen op muren en borden. Soms midden in de natuur alsof ook die gehersenspoeld moet worden. Maar ook zie ik temidden van het boerenland lagere scholen. Net als de ziekenhuizen in Pinar del Rio, de provincieplaats die we passeren. De gids van Roibana draagt een spiegelende zonnebril en als ik later zijn ogen zie, ben ik hem daar dankbaar voor. T-shirt, beul van een lichaam, dikke rooie nek, pet, kauwgom, spreekt, nee, knauwt perfect Amerikaans.

Een waakhond in menselijk formaat. Het hele proces, tot we eindigen in de loods waar een kalme vrouw op een kalme manier sigaren maakt. Kan ik de vrouw die zo bevallig de sigaren rolt nog wat uitleg vragen. Roibana maakt en verkoopt de sigaren niet in eigen beheer.

De staat koopt de toptabaksbladeren tegen prijzen die de staat bepaalt. Wie werkt bij Don Alejandro verdient wel meer dan de arbeiders op de staatsplantages. Dat zal een restje koloniale inborst zijn. Mooi, de Lada staat er nog.

Die had in het uur van de rondleiding en het vragenstellen zomaar definitief uit elkaar kunnen vallen. Ik neem met graagte afscheid van pitbull, hij ook, zo te zien, van mij. Misschien weet hij wel dat in de geschiedenis de grootste aanslagen met pen en potlood zijn voorbereid. In de middag keer ik terug naar de natuur. Wandelen in de vallei van Viñales. Het blijkt een onderdompeling in verloren geachte tijden. De vegetatie is anders en de heuvels, mogotes, zijn molshopen vergeleken met de majestueuze pieken van de Himalaya, toch doemt mijn trektocht lang geleden door Nepal op.

De rust, het vredelievende, het perfecte land van ooit. Maar is er een verschil. De overgave is er niet meer. Toen was ik één met wat mij omringde.

Nu is er het afstand houdende, waakzame oog. Ouder en door schade en schande wijzer? Die behoefte om hem te corrigeren is pesterig. De animo om echt met hem te praten ben ik al grotendeels kwijt. Daarvoor is het verhaal dat hij afsteekt over dat geweldige Cuba te lovend. Wiens brood, wiens woord, dat werk. Viñales is tot promodorp voor de toeristen bestempeld en Tomas is haar promogids. We doen de standaardboerderij aan. Aan tafel wordt een lekkere sigaar voor me gemaakt.

Van de soort waarvan papaboer er al sinds zijn achtste tien per dag rookt, vertelt Tomas. Of hij blij is met de revolutie, je moet wát vragen. Hij is Castro dankbaar. Die heeft het land toch maar mooi afgepakt van de landlords en hem een stukje gegeven. Raúl Castro is een groot opvolger, alles blijft zoals het is. Omdat het volk niets anders wil. Het leven is goed hier. Ik vertelde je vanmorgen al over het gratis onderwijs en de medische verzorging. En als bijvoorbeeld de oogst verloren gaat door een orkaan, krijgen de boeren toch geld van de staat.

Dat zijn luie jongeren daar, die niet willen werken, maar die toeristen beroven. Het zijn zwarten, die zorgen altijd overal voor narigheid. Om die ondankbare landgenoten geen kans te geven het systeem te ontregelen.

De Revolutie is nog nooit zo goed geweest als nu. We drijven handel met bijna alle Europese landen, veel met China, met Latijns-Amerika, we hebben Amerika helemaal niet meer nodig! Maar het waren CIA-agenten. Ze werden betaald en geïndoctrineerd om ons land te destabiliseren. Maar ik weiger te geloven dat de opgepakte, zogenaamde contrarevolutionairen terecht vast zitten.

Tijd om weer te wandelen, al moet ik eerst nog even het pakketje sigaren afrekenen dat ongevraagd is klaargemaakt. Wat zou Tomas daar weer aan groente en vlees voor terugkrijgen? Hij legt uit dat de boeren de geteelde groenten en fruit niet af hoeven staan en ook hun dieren zelf mogen opeten.

Soms verkopen ze aardappelen of tabak aan de overheid, veel levert dat niet op. Zo wordt het geld rondgepompt. Dat het Westen jouw Revolutie overeind houdt? Viñales is the best. Het lijdt geen twijfel dat het leven hier, met genoeg te eten en drinken en een dak boven het hoofd, onder elk systeem zo slecht nog niet is.

Toch blijven er vragen. Waarom staat die oude man met dat gelooide leren gezicht in de gloeiende zon met de hand, met één luttele schoffel, het hele land te ontdoen van onkruid? Waarom is hier na 47 jaar Revolutie, als die dan zo geweldig is, in nog geen stromend water?

Waarom is er nauwelijks geld voor goede kleding? En waarom is er wél, met generator, gelegenheid om in die gammele boerenhuisjes met de televisie de landelijke avondstilte te verstoren?

Waarom krijgt een ieder voor weinig — drie jaar lang een klein bedrag per maand — de Castro-kijkdoos aangeboden? Iets dat goed is, hoef je er toch niet meer in te pompen? Zo peinzend trek ik met Tomas door de velden en landerijen. De conclusie is dat het socialisme de boeren weinig gebracht heeft. En dan vertoef ik hier nog in het opgepoetste stukje platteland rond Viñales. Onderwijs en medische verzorging tegenover veel controle en stagnatie. Hoe had deze vallei er nu uitgezien en hoe hadden de boeren het gehad als het land niet ooit onteigend was?

Tomas vraag ik daar maar niet meer naar. Die moet hij afstaan natuurlijk en het is eigenlijk zijn vakantiedag, maar hij wilde mij helpen. Ik besluit er vijfentwintig te geven, maar heb alleen briefjes van tien.

Geen probleem, wisselen kan hij in zijn Casa. Eenmaal daar kan dat toch weer niet. Wrevel steekt de kop op. Even kijken we elkaar echt aan. Waarom nu die vraag? Ik betaal er dertig. Laten we het zijn toefje slagroom op die geweldige revolutionaire taart van hem noemen. Hup, hup, de pas erin. Stap, stap, met iedere stap verder weg van Tomas. Er is namelijk een schoolfeest en Bor is er toch, onverwachts, heengegaan. Het is saai en hij verveeld zich zoals gewoonlijk.

Een van de meisjes van vanmiddag stapt naar hem toe en maakt haar excuses voor de achtervolging. Bovendien stelt ze zich ook nog eens voor: Ruth de Kleine is de naam. Bor laat duidelijk merken dat hij niks van haar wil weten, maar de domme koe schijnt dit niet te begrijpen. Bor danst nog wat en bekritiseerd nog wat onaangename mensen en gaat daarna maar naar huis aan.

De rest van het weekend rust Bor wat uit. Verder slentert hij door de welbekende stad en dringt hij wat biertjes. Bor accepteerd dit en wijdt dit toe aan intelligentie. Wat kan hem trouwens ook schelen allemaal! Feyenoord wint met van Ajax en na de wedstrijd gaan Bor en zijn vrienden weer de stad in om bier te drinken en om wat wiet te roken.

Hier geilt hij op wat snollen en al gauw merkt hij dat er een smerig mokkel hem heel de tijd staat te bestuderen. Hij stuurt haar daarna naar huis met de bedoeling dat ze zichzelf maar moet gaan vingeren.

Later krijgt Bor nog een klap van een uitsmijter en weer even later trapt hij nog een junk in elkaar. Hij pikt zijn fiets en gaat toch maar naar huis. Weer is een weekend roemloos voorbijgegleden. Het is alweer maandag en Bor merkt een vreemde sfeer in huis op. Hij komt er al snel achter dat Peter zijn broer komt eten met zijn nieuwe vriendin. Bor mag de formele heks Daphne niet en hij betrapt haar op het ene na het andere mankement. De studeer-kut vindt zichzelf heel wat en merkt wat aan op de familie, volgens Bor.

Verder gluurt hij nog wat met zijn verrekijker naar de nog jonge en nu naakte overbuurvrouw, die vrolijk terugzwaaid. De dag eindigt met een door sperma vervuild dekbedlaken: Dinsdag komt Bor Ruth weer tegen en deze zeikt Bor de oren van zijn kop d.

Ze vertelt hem ook dat ze morgen jarig en ze nodigt Bor uit voor haar feestje. Bor reageert nauwelijks en zet Ruth voor lul door gewoon weg te lopen. Hij ziet het er natuurlijk niet van komen dat hij naar haar feestje gaat en is het eigenlijk alweer bijna vergeten! Bor brengt een bezoek aan Toon, ze hebben elkaar immers al lang niet gezien. Hij praat en drinkt nog wat met Toon en pleurt daarna ook weer op. Er is weer een hoop afgezeken deze dag, maar er gebeurde eigenlijk weer niets.

Bor fantaseert nog wat overt seks en valt daarna in een diepe, droomloze slaap. De volgende dag, woensdag, scheurt Bor weer met de brommer naar school. Hij heeft een nieuwe, gejatte, Kawa gekregen van John. John is hier erg handig in en Bor geniet van zijn vrijheid op het ding. Bor wacht af en gaat de stad in. Hij irriteerd wat onschuldige mensen totdat hij een bekende, Mickey, tegenkomt. Chique mensen in een nog veel chiquere wijk bepalen het uiterlijk van het feest.

Eenmaal binnen zuipt Bor zich de pleurus en hij jat wat voorwerpen. Als Ruth even later naar hem toekomt gaan ze samen een kamer in. Van beide kanten is er geen houwen aan en alles lijkt goed te gaan totdat het moment daar is. Dan begint Ruth opeens onbegrijpelijk te schreeuwen en stroomt er familie de kamer binnen.

Wat nu en waarom? Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: Bor Jaar van uitgave: Leesideeën Off Line Publicatiedatum: Michel de Koning Recensietitel: Nederlands Samenvatting Bor is het unieke en fantastische verhaal over een deel van het leven van Bor. Het boek in ingedeeld in weekdagen en iedere dag maakt de lezer de gebeurtenissen, denk- en handelswijze van Bor mee. Ondanks dat Bor goed kan leren gaat hij het liefst de stad in alleen of met vrienden om hier een beetje rond te hangen en om andere mensen lastig te vallen of te aanschouwen.

Het verhaal rond deze asociale etter speelt zich geheel af in Amsterdam en begint met een flashback: Zo wordt als eerste verteld dat Bor en zijn drie beste vrienden Toon, Dick en John een groepje Mormonen in elkaar schoppen omdat ze er, volgens hun, lelijk uitzien en kutkoppen hebben. Deze gedachte wordt verteld terwijl Bor in de tram zit.

Het is zijn favoriete en bovendien gratis vervoersmiddel. Ook is het nog eens uitstekend geschikt om andere mensen te bekijken en om ze lastig te vallen. Zijn gedachten krijgen hier de vrije loop!

Het gehele boek worden mensen, al dan niet bekenden van Bor, beschreven zoals Bor ze ziet. Dit gebeurt op een meestal zeer harde, en vaak ook respectloze manier. Als mensen Bor niet bevallen laat hij dit merken door een of andere rare actie uit te halen of door ze uit te schelden. Vooral jonge vrouwen en vreemde mannetjes zijn het slachtoffer.

Bor wijst ze voortdurend, en soms letterlijk, op hun mankementen! De volgende dag verveelt Bor zich op school, zoals altijd.

Ondertussen legt hij zijn gedachten uit over de mensen in zijn nieuwe klas, die allemaal een voor een aan de beurt komen. Bor oftewel de schrijver heeft voor iedereeen aparte benamingen en zijn grote woordenschat omschrijft vele, dubieuze, figuren in zijn omgeving.

Niemand op school is zijn vriend ook niet nodig en ook ontbreekt het er aan lekkere wijven:

. 28 mei Deze is op een feestje voor oud-collega's en Bor ontmoet de huis met de bedoeling dat ze zichzelf maar moet gaan vingeren. De studeer-kut vindt zichzelf heel wat en merkt wat aan op de familie, volgens Bor. Uiteindelijk pakt hij de trut bij d'r schaamlippen en hij ritst de feeks open tot op het middenrif. word aftrekken word grondwet word groot kustwacht word kut neuken word neuker . Toolmax verkoopt decoupeerzaag, schuurmachine, cirkelzaag, reciprozaag, boorhamer, klopboormachine. Wij leveren Makita, Bosch, Festool, DeWalt, Hitachi.

Geile oma komt klaar seks op zijn grieks

Tantra massage amstelveen prive shemale

Tiener beffende lesbo